Hebban olla vogala
Een beroemd kladblad vol middeleeuwse pennenproeven
‘Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu. Wat unbidan we nu?’ Deze krabbels op een ooit lege slotpagina van een ouder handschrift vormen de oudste verzen in het Nederlands. Een monnik schreef ze op om zijn pen, een nieuwe ganzenveer, te testen. Hij woonde in een klooster in het Engelse Kent, ten zuidoosten van Londen, maar was waarschijnlijk afkomstig uit het westen van het graafschap Vlaanderen. Deze belangrijke primaire geschreven bron dateert uit het einde van de 11e eeuw, maar werd pas in 1932 ontdekt.
Aan de slag met ganzenveren en inkt
In de middeleeuwen schreef men met ganzen- of zwanenveren. Het dunne uiteinde en de veer zelf werden verwijderd, zodat alleen de schacht overbleef. Kopiisten schreven dus niet met een volledige veer, zoals vaak in films en series te zien is. De punt werd zo gesneden dat ze leek op die van een moderne vulpen. De inkt werd gemaakt met een vijzel en bewaard in runderhoorns.
Stompe pennen snijden
De zelfgemaakte pennen werden snel stomp. Er lag steevast een mes binnen handbereik om bij te snijden. Vergelijk het met een potlood dat je tijdens het tekenen herhaaldelijk moet slijpen. Het mes werd ook gebruikt om schrijffouten van het perkament te schrapen. Om het werk niet te onderbreken, legden kopiisten vaak een aantal gesneden veren klaar. Ze bewaarden pennenschachten en messen in kleine kistjes op de lessenaar.
Perkament maak je zo!
Tegenwoordig schrijven we vooral op papier, maar in de middeleeuwen gebruikte men meestal perkament. Dat is een speciaal bewerkte dierenhuid van kalf, geit of schaap. Omdat het materiaal duur was, ging men er best spaarzaam mee om.
Het maken van perkament was een lang en nauwkeurig proces. Eerst werd de huid enkele dagen in stromend water gelegd om haar schoon en soepel te maken. Daarna plaatste men het vel ongeveer twee weken in een mengsel van kalk en water, zodat haren en vleesresten loskwamen. Vervolgens spande men de huid strak op een houten raam om te drogen en schraapte men haar zorgvuldig schoon. …
Wat een monnikenwerk!
Voor 1450 bestond de boekdrukkunst nog niet in West-Europa. Boeken werden volledig met de hand overgeschreven, een werk dat veel tijd en geduld vroeg. Het kopiëren van een boek duurde al snel enkele maanden. Een dik boek nam soms meer dan een jaar in beslag. Doorgaans schreven monniken zittend op een taboeret, met het boek waaraan ze werkten op de dij. Het voorbeeldboek dat men kopieerde stond op de lessenaar voor hen.
Boeken binden en bewaren
De kopiisten schreven nieuwe boeken meestal op losse perkamentvellen. Het binden gebeurde pas nadien. Zo konden twee of drie monniken tegelijk aan hetzelfde boek werkten. Afgewerkte boeken werden bewaard in een ‘armarium’ of afsluitbare boekenkast. Ze stonden niet rechtop zoals in onze bibliotheken, maar lagen plat, zodat het leder van de kaft niet beschadigde.
De ideale schrijfplek
De belichting in twaalfde-eeuwse kloosters en abdijen was niet bijzonder goed. Vensters waren vrij klein en glas zeldzaam. Daarom gebruikte men walmende vetkaarsen om te verlichten. Deze geurden niet erg goed, waardoor monniken vaak in de kruisgang werkten in plaats van in het ‘scriptorium’, de schrijfzaal in het gebouwencomplex. In de overdekte verbindingsgang rond de binnentuin viel bovendien meer daglicht dan in de binnenruimtes. In de tuin stond meestal een fontein. Met het water van deze bron kon men inkt en verf verdunnen. In de kruisgang werden ook boeken bewaard en gelezen op de zitbanken.
Over vogelnestjes
‘Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu. Wat unbidan we nu?’ Omgezet in onze huidige taal: ‘Alle vogels zijn aan hun nesten begonnen, behalve ik en jij. Waar wachten we nog op?’ Over de betekenis bestaat eensgezindheid, maar naar de herkomst van deze versjes kunnen we alleen maar raden. Mogelijk komen ze uit een liefdesliedje. Of zag de monnik in kwestie gewoon twee vogeltjes in de binnentuin een nestje bouwen?
Ontdekplaat venster Hebban olla vogala | Illustratie: Conz, 2026